Speciaal voor Atak ben ik al een tijdje bezig met een handleiding voor de fotografiewerkgroep. Deze is in veel gevallen natuurlijk specifiek op Atak gericht, maar er staat ook veel algemene informatie in die in iedere zaal in feite van toepassing is. Inmiddels komt het voltooien van de handleiding steeds dichterbij. Er moeten nog een hoeveelheid nuttige linkjes worden toegevoegd, een lijst met afkortingen en een hoofdstuk over het nabewerken van de foto’s. Het hele technische en praktische gedeelte van het fotograferen van concerten, danceparties en portretten is in principe inhoudelijk klaar, plus ook het Atakspecifieke hoofdstuk (inwerken, gang van zaken tijdens de dienst, foto’s op de website plaatsen, dat soort dingen).
Hier de tekst uit de eerste vijf hoofdstukken. Eventuele op- en aanmerkingen zijn van harte welkom.
1 Concertfotografie: technisch
Voor je ter plekke aan de slag gaat, is het verstandig je camera goed in te stellen. Voor vrijwel ieder concert gebruik je ongeveer hetzelfde uitgangspunt voor de instellingen van je camera. Deze zullen we in dit hoofdstuk behandelen. Ga voor je begint altijd systematisch je instellingen na om te controleren of alles klopt.
1.1 ISO, diafragma, sluitertijd
Deze drie factoren bepalen of je foto goed belicht wordt en of op je foto bewegingsonscherpte te zien zal zijn of niet. Ze staan in direct verband met elkaar. Begrijp je nog niet helemaal hoe deze drie precies werken, blader dan eens door naar hoofdstuk 8, Nuttige pagina’s op internet. Bovenaan vind je daar een aantal essentiële pagina’s voor beginnend fotografen.
In principe is je doel natuurlijk een mooie, scherpe en heldere foto, waarop geen (storende) bewegingsonscherpte te zien is. Om dat te realiseren kun je uitgaan van een aantal standaard uitgangspunten die je eventueel per situatie nog wat aanpast:
ISO: Bij concerten is het belangrijk je ISO-waarde flink op te schroeven, dit omdat je een bewegend onderwerp fotografeert bij weinig licht. Ga in principe uit van ISO 1600, daarmee zit je eigenlijk altijd goed. Hoewel je op ISO 1600 inderdaad enige ruis kunt verwachten in je foto’s, zal dat bij een correcte belichting met de gemiddelde digitale spiegelreflexcamera absoluut meevallen. Ben je toch bang voor ruis in je foto’s, maak dan voor jezelf eens de afweging wat je belangrijker vindt: een foto met een correcte belichting waarbij de (soms storende) bewegingsonscherpte tot een minimum beperkt blijft, of een foto die nagenoeg ruisvrij is, maar wel onderbelicht of bewogen? Bovendien kun je ruis in de nabewerking indien gewenst nog wat verminderen, bewegingsonscherpte niet. Meer daarover in het hoofdstuk Nabewerking.
Diafragma: Hoewel je met een kleiner diafragma (groter getal) meer scherptediepte krijgt en je daarmee dus in de praktijk bijvoorbeeld zowel de zanger als de drummer scherp zou kunnen krijgen (begrijp je dit nog niet, dan wijs ik graag nogmaals op de website waar ik net al naar verwees), is er ook een groot nadeel: door een kleinere diafragma-opening valt er minder licht op de sensor. Daardoor heb je (uitgaande van een gelijke ISO-waarde) een langere sluitertijd nodig voor eenzelfde belichting. Je sluitertijd heb je over het algemeen hard nodig, dus houd je diafragma bij voorkeur ver open. Hierbij kun je denken aan ca. F2.8, of (wanneer je geen lichtsterke lenzen hebt) zo groot mogelijk. Bij lenzen met een maximaal diafragma van F1.4 of F1.8 is het niet altijd noodzakelijk deze F1.4 of F1.8 ook daadwerkelijk te gebruiken. Bij zulke lenzen kun je overwegen om (in verband met de winst op scherptediepte) iets te diafragmeren. Zorg natuurlijk wel dat je sluitertijd niet te lang wordt.
Let bij het gebruik van een groot diafragma, zeker bij close-ups, goed op dat je nauwkeurig scherpstelt. Bij portretten is het doorgaans gewenst het gezicht (of zelfs de ogen) scherp in beeld te krijgen. Scherpe microfoons of schouders bij een onscherp gezicht zijn erg storend. Meer hierover lees je in hoofdstuk 2.5, Focus.
Sluitertijd: De sluitertijd is de bepalende factor op het gebied van bewegingsonscherpte. Je hebt twee soorten bewegingsonscherpte; beweging van het onderwerp en beweging van de camera (“camera shake”). Beweging van het onderwerp kun je tegen gaan door een zo kort mogelijke sluitertijd te gebruiken. Ook je eigen timing kan je hierbij helpen: kies bij weinig licht momenten waarop de muzikant zo stil mogelijk staat bij zo veel mogelijk licht. Houd in de gaten dat je sluitertijd niet langer wordt dan ongeveer 1/60, daarna zal beweging steeds duidelijker zichtbaar worden. Daarbij kun je wel onderscheid maken tussen podiumoverzichten en close-ups, bij de eerste kun je vaak langere sluitertijden gebruiken dan bij het tweede type foto.
Camera shake hangt af van een aantal dingen: je brandpuntsafstand, de sluitertijd, de lens (sommige hebben een stabilisator) en je eigen techniek. Niemand houdt zijn camera helemaal stil, maar als de sluitertijd kort genoeg is, zul je hier op de foto’s niets van terug zien. Hoe kort de sluitertijd moet zijn hangt niet alleen af van je eigen techniek, maar ook van het bereik van de lens. Over het algemeen kun je stellen dat je met een telelens sneller last hebt van camera shake dan met een groothoeklens.
Op het moment dat je sluitertijd kort genoeg is om beweging te voorkomen (bijvoorbeeld: 1/125), zal een nog kortere sluitertijd (bij gelijke belichting, dus groter diafragma of hogere ISO-waarde) geen effect hebben op de foto. Heb je echt veel licht tot je beschikking, dan kun je ervoor kiezen je sluitertijd niet verder te verkorten maar in plaats daarvan wat te diafragmeren. Daarmee creëer je winst op de scherptediepte in je foto. Vanuit dat oogpunt is het aan te raden te fotograferen op de diafragmavoorkeurmodus (Av/A) of op Manual (M).
Op AV of A stel je zelf de ISO-waarde, je diafragma en een eventuele belichtingscompensatie in. Je camera kiest hierbij vervolgens de sluitertijd. Het is daarbij belangrijk om de sluitertijd te blijven controleren. Aan de hand van de sluitertijd kun je dan bekijken of een groter of kleiner diafragma of een hogere of lagere ISO-waarde gewenst is. Op Manual is het belangrijk de lichtmeter nauwkeurig in de gaten te houden om te controleren of je instellingen nog kloppen met de beschikbare hoeveelheid licht. Meer hierover in 1.5 bij Lichtmeting.
1.2 RAW of JPEG?
RAW-bestanden zijn nogal groot, er passen er minder van op je CF-kaart en de belasting voor je computer is wat groter: klopt allemaal. Soms zul je misschien (ook afhankelijk van hoe perfectionistisch je bent) thuis komen met stapels lompe RAW-bestanden die in jouw ogen nauwelijks nabewerking nodig hebben. “Had ik nu maar in JPEG geschoten, want nu moet ik ze allemaal omzetten naar JPEG”? Laat me je geheugen even opfrissen.
Het voordeel van RAW is dat je de foto’s na de tijd met minder kwaliteitsverlies beter en nauwkeuriger kunt corrigeren. Het beste voorbeeld hiervan is het kunnen aanpassen van de witbalans. Ook valt aan over- of onderbelichte partijen in je foto in een RAW-bestand vaak veel meer te redden. Het corrigeren van een RAW-bestand in moeilijke lichtomstandigheden (zoals bijvoorbeeld bij concertfotografie het geval is), is vaak minder tijdrovend dan het redden van een JPEG in diezelfde omstandigheden. Wanneer je zelf veeleisender wordt en de nabewerking van je foto’s wat meer routine wordt, zal het nabewerken van RAW-bestanden op den duur zelfs een tijdbesparing vormen. En áls er iets mis gaat, is je foto niet direct verloren. Best een prettig idee, toch?
1.3 Witbalans
Elke lichtbron heeft zijn eigen kleurtemperatuur. Deze wordt uitgedrukt in Kelvin (K). Daglicht is ca. 5500K, gloeilampen zitten rond de 3200K. Je oog compenseert dit verschil automatisch, je camera niet. Daarom is het verstandig je camera hierbij een handje te helpen. Bij concerten heb je te maken met lampen die voorzien zijn van een kleurfilter. Wat er tijdens het concert mooi uit ziet, kan voor je camera wat te veel van het goede zijn.
Wanneer je in RAW schiet, kun je achteraf de witbalans nog aanpassen. Dat betekent niet dat het niet nuttig is om deze al bij het fotograferen (ongeveer) goed in te stellen. Daarbij is het belangrijk goed te kijken naar de gebruikte lampen. Bij parren (gewone spots met een kleurfilter daarvoor) gebruik je een relatief lage kleurtemperatuur. Afhankelijk van de gebruikte kleuren zit je met Kunstlicht (3200K) meestal goed in de buurt. Bij veel rood kun je je witbalans instellen op 2800K, bij veel blauw kun je richting de 4000K gaan denken.
Moving heads maken het echter allemaal een beetje lastiger. Rood is ook echt goed rood, blauw is flink blauw. Met een gemiddelde van 3200K zul je er meestal ver naast zitten. Soms kun je tijdens een concert bij het begin van ieder nummer de kleurtemperatuur aanpassen op de gebruikte kleuren op dat moment, soms zit je met een kleurtemperatuur van 4500K gemiddeld redelijk in de buurt, en soms zou je kunnen terugvallen op de Auto-witbalans (AWB) van je camera. Daarbij verschilt je witbalans van opname tot opname. Dat is meestal niet ideaal, maar soms wel de beste keuze.
Houd er wel rekening mee dat AWB vaak zeer onnauwkeurig is, en maar zelden de meest optimale weergave zal geven. AWB is geen garantie voor een correcte witbalans en vooral ook geen reden om in JPEG te gaan fotograferen.
1.4 Flitsen: wel of niet?
Hoewel je bij concerten werkt onder “moeilijke” lichtomstandigheden, is het maar zelden echt noodzakelijk te flitsen bij een concert. Flitsen doet het podiumlicht over het algemeen weinig goed (je flitst de sfeer al gauw uit de foto). Een enkele keer (bijvoorbeeld bij gebrek aan frontlicht en een teveel aan tegenlicht) kan het nuttig zijn toch naar je flitser te grijpen. Houd er in dat geval rekening mee dat je zeer minimaal inflitst (gebruik de flitslichtcompensatie!) en gebruik een sluitertijd die ongeveer gelijk is aan de sluitertijd wanneer je niet zou flitsen. Flitsen vervangt het podiumlicht als het goed is niet, het vult aan. Meer informatie over flitsen bij concerten kun je vinden bij “Veelgestelde Vragen: Flitsen bij concerten”.
Veelgestelde Vragen: Flitsen bij concerten
Er geldt een flitsverbod in Atak. Mag ik dan wel flitsen?
Het flitsverbod is slechts een subtiele richtlijn richting mensen met een compactcamera of mobiele telefoon. Het is meer iets om mensen op te kunnen wijzen als het geflits storend wordt. We verwachten van de huisfotografen van Atak dat zij prima in staat zijn zelf in te schatten wanneer er moet worden geflitst en wanneer niet. Gebruik tijdens concerten je flitser alleen wanneer dat écht noodzakelijk is, want bezoekers kunnen het natuurlijk als storend ervaren dat jij als huisfotograaf wél staat te flitsen. Wanneer een band opdraagt dat er absoluut niet mag worden geflitst, houd je je hier vanzelfsprekend aan.
Ik heb geen externe flitser. Kan ik de flitser op mijn camera gebruiken?
Natuurlijk kan dat. Hoewel met een ingebouwde flitser bouncen wat lastig wordt, kun je indien noodzakelijk je flitser best eens gebruiken. Zorg er in dat geval net als bij een externe flitser voor dat je de sluitertijd lang genoeg houdt om het omgevingslicht een kans te geven en maak gebruik van de optie het flitslicht te kunnen compenseren.
Op welke stand stel ik mijn camera in?
Omdat de camera op Av/A soms onvoorspelbare resultaten geeft bij veranderlijke lichtomstandigheden, is het aan te raden je camera in te stellen op M. Dan heb je het resultaat zelf in de hand.
Wat voor ISO-instelling moet ik gebruiken als ik wil flitsen?
De ISO laat je gewoon ingesteld staan op 1600. Met het verlagen van de ISO zou je de flitser harder moeten laten werken, wordt de laadtijd van de flitser langer en heb je bovendien, om tot twee mooie belichtingen in één foto te komen, een veel langere sluitertijd nodig.
Ik maak met mijn flitser extra licht. Kan nu mijn sluitertijd dus korter worden?
Nee. Zie flitsen niet als een manier om meer licht te krijgen, maar als een manier om beter licht te maken. Je hebt in feite twee belichtingen in één foto. Een flits van je flitser is maar van korte duur. Je sluitertijd is als het goed is aanzienlijk langer dan de flits. Op die manier krijgt namelijk niet alleen de flits een kans, maar ook het omgevingslicht. Je gebruikt met een flitser dus in feite dezelfde instellingen (ISO, diafragma, sluitertijd) als zonder flits, zodat de omgeving er ongeveer hetzelfde uit gaat zien als zonder flits het geval zou zijn geweest. Een zeer korte sluitertijd zou leiden tot een fel en hard belicht onderwerp tegen een donkere (zwarte) achtergrond.
Het flitslicht is zo kil. Wat kan ik daaraan doen?
Je kunt daarvoor een kleurfilter gebruiken. Daarover kun je meer lezen in hoofdstuk 3.4, het hoofdstuk over flitsen bij danceparties.
1.5 Lichtmeting
Veel camera’s hebben twee soorten lichtmeetmethodes: één waarbij de camera voor je nadenkt, en één waarbij je het zelf moet doen. De eerste methode heet (afhankelijk van het cameramerk) Evaluatief, Matrix of Meerveldsmeting. Voorbeelden van de tweede soort lichtmeting zijn Deelmeting, Spotmeting of Gemiddelde meting. Engelse termen hiervoor zijn Partial, Spot en Center Weighted.
Het achterliggende idee bij de “intelligente” meetmethode is dat de camera de scene “evalueert” (vaak rekening houdend met het gekozen autofocuspunt), en op basis daarvan de “juiste” belichting instelt. Aan de hoeveelheid aanhalingstekens kun je al afleiden dat dat niet altijd goed gaat. Zorg dus dat je je camera goed kent wanneer je werkt met deze methode. Blijf meedenken, zodat je leert in welke situaties je camera de mist in gaat. Je kunt dan vooraf al ingrijpen door bijvoorbeeld de belichting te compenseren. Maar je camera goed kennen is geen garantie, ook dan zal het af en toe (erg) fout gaan.
Fotografeer je bijvoorbeeld op een groot, zwart podium een muzikant in donkere (zwarte) kleding? Dan zal de camera vaak de gezichten willen overbelichten. Bij veel rook die van achter wordt belicht door spots, zal de camera de voorgrond juist willen onderbelichten. De “domme” methoden gaan ervan uit dat het gemeten onderwerp midden grijs is. Of je nu een zwarte kat of een sneeuwpop fotografeert, het onderwerp zal ergens midden tussen zwart en wit worden weergeven wanneer je geen compensatie toepast. Het is dus belangrijk dat je precies weet wat je meet en dat je je belichting daarop aanpast. Een zwart shirt is bijvoorbeeld ongeveer twee stops donkerder dan midden grijs, een wit shirt ongeveer tweeënhalve stops lichter. Blanke huid is ongeveer één stop lichter.
Bij een klein meetgebied (zoals bij spotmeting het geval is) weet je precies wat je meet en kun je dus nauwkeurig corrigeren. Bij een groter meetgebied (gemiddeld), komt er wat meer gokwerk bij kijken. Een goed uitgangspunt is evaluatief of spotmeting (op een gezicht) voor de diafragmavoorkeurmodus en deelmeting voor Manual (mits het frontlicht constant is). In vrijwel alle gevallen is wat nadenken en het toepassen van belichtingscompensatie vereist.
Het histogram is een handig hulpmiddel om de belichting te beoordelen. Ook is het aan te raden om indien mogelijk je camera te laten waarschuwen voor overbelichting.
Het blijft belangrijk dat je je camera goed kent. Ga daarom bewust om met lichtmeting.
2. Concertfotografie: het fotograferen
Voorafgaand aan het volgende hoofdstuk nog even het volgende: natuurlijk is het doel van deze handleiding niet om een team samen te stellen waarbij de verschillende fotografen technisch en qua stijl precies met elkaar overeenkomen. Desondanks zijn er een aantal richtlijnen en willen we wat tips met jullie delen. Om één en ander in goede banen te leiden, maar ook om toch wat leesstof aan te bieden om eens over na te denken, zodat je bewust gaat (of blijft) nadenken over de foto’s die je maakt.
2.1 Gedragsrichtlijnen
Hoewel je aan het werk bent (en je dus wel moet zorgen dat je de foto’s maakt die je nodig hebt), is het belangrijk dat je daarmee niet tot last bent bij (betalende) bezoekers en andere vrijwilligers of fotografen. Daarom:
- Houd je altijd aan eventuele restricties die worden opgelegd door (het management van) de band. Lees ook hoofdstuk 2.2 voor meer informatie over dit onderwerp.
- Als het erg druk is, is het vaak lastig je te verplaatsen om op andere locaties te gaan fotograferen. Wees in dat geval kritisch over de plaats die je kiest: zorg ervoor dat je goed overzicht hebt over het podium, zonder daarbij veel (betalende) bezoekers het zicht te belemmeren. Let ook op microfoonstandaards en andere storende elementen.
- Van plaats veranderen tijdens een (drukbezocht) concert kan best, maar hierbij is het altijd gemakkelijker om uit het publiek te komen dan het podium te bereiken. Wees in zo’n geval verstandig. Wees op tijd en begin vooraan, om daarna misschien meer naar de zijkant, achterkant of naar het balkon te vertrekken.
- Het is natuurlijk erg gemakkelijk om je tas achter te laten bij de technici (FOH of licht). Houd er wel rekening mee dat hier mensen aan het werk zijn: vraag altijd netjes toestemming voor je je tas ergens neerzet (legt) en zorg dat je tas niemand in de weg staat (ligt).
- Fotograferen op plaatsen waar Atakkers aan het werk zijn, wordt over het algemeen niet op prijs gesteld. Wil je toch even misbruik maken van het mooie uitzicht van je collega’s, doe dit dan alleen wanneer je aan het werk bent voor Atak, gedurende korte tijd en uiteraard niet zonder toestemming van degene die ter plekke zijn of haar werk staat te doen.
- Het is wenselijk en aan te raden tijdens je dienst een Crew-shirt (ook in polo-variant te leen) te dragen. Daarmee is voor overige medewerkers, publiek en band direct duidelijk dat jij voor Atak aanwezig bent. Publiek zal je gemakkelijker laten passeren en het is dan direct duidelijk waarom jij in sommige gevallen privileges hebt en anderen niet.
- Wanneer je voor Atak aan het fotograferen bent, ben je natuurlijk het visitekaartje van Atak. Gedraag je vriendelijk tegenover bezoekers.
- Wil je graag door het publiek? Laat even weten dat je er aan komt, bijvoorbeeld door omstanders even op hun schouder te tikken.
2.2 Restricties
Atak hanteert een vrij streng fotografiebeleid. Digitale spiegelreflexcamera’s mogen alleen mee naar binnen wanneer daarvoor eerst een aanvraag is ingediend en goedgekeurd. Fotografen ontvangen bij de kassa een polsbandje dat toestemming geeft om te fotograferen. Wanneer fotografen geen polsbandje hebben aangevraagd, moeten zij hun camera bij de portiers afgeven en kunnen ze deze na afloop van het concert weer ophalen. Het meenemen van compactcamera’s en mobiele telefoons is natuurlijk wel toegestaan, maar hiervoor geldt een flitsverbod.
Meestal zal het toegestaan zijn het hele concert te fotograferen. Maar het kan voorkomen dat vanuit de band of het management van de band bepaalde restricties worden opgelegd. Een enkele keer zal er helemaal niet gefotografeerd mogen worden (daarbij wordt dan meestal een uitzondering gemaakt voor de huisfotograaf die op dat moment aan het werk is). Ook komt het voor dat er slechts drie nummers mogen worden gefotografeerd. Na de eerste drie nummers ruim je dan vanzelfsprekend je camera op.
Dergelijke restricties zullen je in de regel voorafgaande aan het concert worden meegedeeld door de BSM’er of AD’er. Ook je collega’s bij de entreekassa zijn vanzelfsprekend op de hoogte. Ben je niet aan het werk, toon dan initiatief en informeer zelf even bij één van drieën naar eventuele restricties.
Soms worden op restricties een uitzondering gemaakt voor de huisfotograaf. Vaak is het bijvoorbeeld voor Atak-fotografen toegestaan na de eerste drie nummers vanaf de achterzijde van de zaal of het balkon verder te gaan met fotograferen. Houd je bij een three song rule in ieder geval niet langer dan drie nummers aan de rand van het podium op. Uitzonderingen gelden vanzelfsprekend alleen voor de fotograaf die op dat moment inderdaad aan het werk is. Ben je voor andere doeleinden dan Atak aanwezig met camera, houd je je gewoon aan de gemaakte afspraken.
Het is nooit de taak van de Atak-fotograaf om andere fotografen aan te spreken op hun verantwoordelijkheid. Houd je zelf netjes aan de afspraken, wat anderen doen is niet jouw zaak. Op het moment dat iemand zich niet aan de regels houdt, kun je hier indien gewenst natuurlijk wel de AD’er of een portier van op de hoogte stellen.
2.3 Compositie
De compositie wordt bepaald door twee zaken: allereerst door het perspectief, bovendien door de uitsnede die je kiest. In tegenstelling tot wat sommige mensen denken, wordt het perspectief bepaald door het standpunt en niet door de lens. Eenmaal op een bepaalde locatie bepaal je allereerst wat voor foto je wil maken en stem je daar je lenskeuze op af: voor een close-up van een gezicht heb je een andere lens nodig dan voor een foto van twee muzikanten vanaf diezelfde plaats.
Bovendien wordt je compositie bepaald door de uitsnede die je kiest. De uitsnede kan een technisch weinig goede foto toch een goede foto laten zijn, maar ook een technisch perfecte foto totaal oninteressant maken. Kies daarom tijdens het fotograferen bewust voor een goede uitsnede. Zorg ten eerste dat je je onderwerp niet per definitie in het midden van je foto plaatst. Daardoor ontstaat al snel een weinig spannend beeld. Je kunt best lichaamsdelen of een gitaar aansnijden, maar zorg er in dat geval voor dat het niet storend is. Vaak kun je een hand of een gitaar op verschillende manieren aansnijden. De ene manier kan zeer storend zijn, een andere hoeft dat niet te zijn.
Zorg er bovendien voor dat storende elementen (microfoonstandaards, maar ook bijvoorbeeld muzikanten op de achtergrond die er nét (niet) bij op staan) zo veel mogelijk uit je beeld houdt. Een muzikant op de achtergrond kan natuurlijk iets toevoegen aan je foto, maar doe het in dat geval wel bewust. Let ook op de locatie van lampen in de achtergrond van de foto. Voegen ze iets toe, of leiden ze alleen af?
Als dat je afbeelding verbetert, is het altijd aan te raden de uitsnede in de nabewerking van je foto’s nog wat bij te werken. Een beetje croppen kan een foto soms aanzienlijk verbeteren.
Uiteindelijk blijft compositie natuurlijk voornamelijk een kwestie van smaak. De composities die je kiest vormen gedeeltelijk (naast bijvoorbeeld de wijze waarop je je foto’s nabewerkt) je eigen stijl.
2.4 Lenskeuze
De keuze voor een bepaald brandpuntafstand hangt grotendeels samen met de compositie. Vanaf een bepaalde locatie heb je een bepaald perspectief en naar aanleiding daarvan kies je een lens die past bij het beeld dat je graag vast zou willen leggen. Vaak, maar niet altijd, kun je hierbij stellen dat foto’s van (soms zeer) veraf met tele een minder interessant beeld opleveren dan foto’s van dichtbij met groothoek.
Eén en ander hangt ook af van de soort muziek: metal vraagt om andere foto’s dan een popbandje en rustige muziek vraagt om een rustiger beeld dan ruige muziek. Experimenteer hier voor jezelf ook eens mee: durf direct aan het podium te gaan staan met je groothoeklens in plaats van altijd vanaf het balkon op het podium neer te kijken met een 70-200. Maar durf ook eens met een 50 mm in het publiek te gaan staan of juist met die 70-200 voor aan het podium.
Indien je budget dat toelaat, is het handig bij een nieuwe aanschaf rekening te houden met de lichtsterkte van de lens. Lichtsterkte komt absoluut van pas bij het fotograferen van concerten en zonder lichtsterke lens ben je al snel behoorlijk gelimiteerd in je kunnen. Overweeg anders eens een lens met vast brandpuntsafstand aan te schaffen: deze zijn relatief betaalbaar, een stuk lichtsterker dan zoomlenzen en stellen over het algemeen snel en nauwkeurig scherp. Zowel Canon als Nikon hebben een goedkope 50mm F1.8-lens (ca. € 100,00) in hun assortiment.
2.5 Focus
Bij concertfotografie gaat het (in vrijwel alle gevallen) om de persoon (of meerdere personen) die je fotografeert. Ga daarom, net als bij “gewone” portretfotografie, bewust om met je focus. Stel scherp op het gezicht. Specifieker: vanwege de beperkte scherptediepte (door het gebruik van een zeer groot diafragma) is het belangrijk erop te letten dat je scherpstelt op de ogen en niet op bijvoorbeeld de mond of het oor (of sterker nog: de gitaarhals, de hand, de schouder of de microfoon). Maak dus gebruik van verschillende autofocuspunten. Gebruik het autofocuspunt dat bij gewenste compositie het meest in de buurt van de ogen van de muzikant komt. Daarmee voorkom je dat je veel moet hercomposeren nadat je al hebt scherpgesteld. Bij overzichten van een gehele band op het podium komt dat natuurlijk minder nauw; dan stel je scherp op een persoon en niet op de backline, drumkit of het publiek.
Merk je dat je camera moeite heeft met het scherpstellen, bijvoorbeeld door de hoeveelheid rook of het vele tegenlicht, werkt het middelste autofocuspunt soms het best. Dit punt is gevoeliger dan de overige autofocuspunten.
Maak in het fotograferen een afweging tussen het vergrendelen van de autofocus (Canon: One Shot, Nikon: S van Single focus) en het constant bijstellen van de autofocus (Canon: AI Servo, Nikon: C van Continuous focus). Op One Shot/S stelt de camera scherp en blijft de focus vergrendeld. Op AI Servo/C blijft de camera constant de focus op het gekozen autofocuspunt bijstellen. Beide opties hebben hun voor- en nadelen: One Shot/S geeft de gelegenheid tot hercomposeren, maar vereist snel handelen omdat anders het risico op een onscherpe foto erg groot is, AI Servo blijft scherpstellen, maar hercomposeren gaat lastig en bovendien kan er wel eens iets misgaan als je onderwerp te hard beweegt om te blijven volgen of als iets of iemand tussen jou en je onderwerp komt te staan. Bij extreem weinig licht is One Shot/S soms nauwkeuriger.
2.6 Fotograferen bij verschillende lichtomstandigheden
Met de verhuizing naar het Muziekkwartier heeft de fotografiewerkgroep te maken gekregen met een nieuwe uitdaging: moving heads. Voor de verhuizing had Atak enkel de beschikking over parren, welke boven het podium stil hangen en bovendien veel minder licht geven dan moving heads. Met moving heads loop je al gauw tegen twee praktische zaken aan: het verschil in de hoeveelheid licht en het verschil in witbalans.
Ik vertelde al dat bij enkel parren een witbalans ingesteld op Kunstlicht of een temperatuur van circa 3000 tot 3500K eigenlijk altijd goed is en dat het bij het gebruik van veel moving heads wenselijk zal zijn richting de 4000K te gaan. Hoewel blauw en rood licht van de moving heads daarmee niet gecompenseerd zal worden, zit je dan gemiddeld meer in de buurt dan met het (snel te koele) 3200K. Zijn de moving heads erg overheersend, dan kan het zelfs lonend zijn over te schakelen op AWB. Daarmee worden extreme verschillen direct gecompenseerd, maar let wel op, AWB is meestal niet alleen onnauwkeurig maar bovendien niet constant.
Moving heads soms ook praktische problemen bij de belichting van je foto. Ze zorgen voor aanzienlijk meer licht dan parren en kunnen dan ook, door plotseling in je foto op te duiken, de foto geheel of gedeeltelijk flink overbelichten. Wil je graag een moving head op je onderwerp te pakken krijgen, zorg dan dat je nauwkeurig meet welke instellingen je nodig hebt voor een goede belichting. Probeer ze te ontwijken of juist te fotograferen op momenten dat het jou en je camera goed uitkomt.
3. Danceparties: technisch
Voor je danceparties gaat fotograferen, is het handig te weten wat je daarvan moet verwachten. Meestal zul je in plaats van meerdere bandleden op het podium slechts één dj aantreffen. Vaak wordt gebruik gemaakt van projecties, waarop het podiumlicht is afgesteld. Dit betekent dat het over het algemeen donkerder is dan bij de meeste concerten. Inflitsen kan noodzakelijk zijn en is eigenlijk altijd aan te raden.
Naast de dj is natuurlijk ook het publiek een belangrijk onderdeel van de danceparties. In de zaal is het licht vaak nog slechter dan op het podium, dus flitsen is hierbij een vereiste. Gebruik daarbij een sluitertijd die lang genoeg is om het achtergrondlicht in de zaal nog te zien, maar die niet zo lang is dat alles bewogen wordt. Daarbij is het belangrijk je bewust te zijn van de positie van het licht.
In dit hoofstuk de technische ins en outs van het fotograferen van danceparties.
3.1 ISO, diafragma, sluitertijd
De ISO stel je, net als bij concerten, gewoon in op 1600. Het diafragma is een ander verhaal. Bij het fotograferen van een dj kun je je diafragma heel groot houden, zoals je dat ook doet bij concerten. Maar publiek is een ander verhaal, vooral wanneer je een groepje mensen fotografeert. Het is namelijk gewenst in een groepsportret iedereen op de foto (ongeveer) scherp in beeld te krijgen. Daarom is een diafragma van ongeveer F4.0 gewenst.
Meer informatie over de sluitertijd vind je in hoofdstuk 3.5, Lichtmeting.
3.2 RAW of JPEG?
Het is al lastig genoeg, dus ook bij danceparties is het aan te raden met RAW-bestanden te werken. Voor meer details verwijs ik je graag naar hoofdstuk 1.2.
3.3 Witbalans
Aangezien bij danceparties dezelfde lampen worden gebruikt als bij concerten, is de informatie uit hoofdstuk 1.3 en 2.6 ook bij danceparties in principe gewoon toepasbaar. Wel nog een kleine aanvulling die specifiek geldt voor foto’s met flits. Omdat je inflitst, maak je gebruik van twee lichtbronnen in één foto: allereerst de lampen die de zaal verlichten, bovendien je flitser. Om verschillen in kleurbalans te voorkomen, gebruik je een kleurfilter die het licht van je flitser warmer kleurt. Daardoor kun je je witbalans instellen op ongeveer 3500K, waarop bij het gebruik van een kleurfilter de lampen in de zaal en je flitslicht mooi in balans zijn. Gebruik je geen kleurfilter, dan zal de kleur van je flitslicht te koud zijn op een kleurtemperatuur van ongeveer 3500K. Bij een witbalans van circa 5600K zal je flitslicht de juiste kleur hebben, maar zal de verlichting in de zaal te warm worden. Vraag voor een kleurfilter eerst je collega’s en anders één van de lichttechnici.
3.4 Flitsen: hoe doe je dat?
Subtiel. Voor het publiek is de flitser veelal de belangrijkste lichtbron, maar het mooiste resultaat krijg je wanneer er ook bestaand licht zichtbaar is op de foto. Door middel van een lange sluitertijd zorg je ervoor dat het omgevingslicht ook een kans krijg in de foto. Voor dj’s gebruik je weinig flits. Als je duidelijk ziet dat er geflitst is, was het waarschijnlijk al te veel…
3.5 Lichtmeting
Zie een flitsopname altijd als twee belichtingen in één foto: een foto met alleen bestaand licht, gecombineerd met een foto met alleen flits. Je lichtmeting is zodoende tweeledig: je meet niet alleen het omgevingslicht, maar ook je flitslicht. In de meeste gevallen hoef je je eigenlijk alleen zorgen te maken over het eerste deel en zorgt de camera voor de flitsmeting.
De hoeveelheid bestaand licht in de foto wordt bepaald door de gekozen ISO, diafragma en sluitertijd. De hoeveelheid flitslicht wordt bepaald door je ISO, diafragma en de kracht van de flits. Met de sluitertijd kun je dus variëren in de verhouding tussen bestaand licht en flitslicht. Als je een te korte sluitertijd gebruikt, wordt je foto alleen verlicht door flitslicht wat er erg point and shoot uitziet. Niet doen dus.
Je kunt voor publieksfotografie gerust een (erg) lange sluitertijd gebruiken, mits het meeste licht achter het publiek is. Je krijgt alleen bewegingsonscherpte wanneer het onderwerp naast de flits ook verlicht wordt door bestaand licht gedurende de tijd dat de sluiter open is. Als je bijvoorbeeld onder het balkon staat en richting de dansvloer fotografeert, bevindt al het licht zich achter het publiek. In feite worden het silhouetten als je niet flitst. Als je in dit geval wel flitst, zal de (korte) flits alle beweging bevriezen. 1/6 seconde of zelfs nog langer hoeft geen enkel probleem te zijn. Als je onderwerp beweegt, bestaat wel het risico dat delen van de achtergrond door het onderwerp zichtbaar worden.
Als je in de zaal staat, is het iets lastiger: het licht staat dan (gedeeltelijk) op het publiek, waardoor de kans op bewegingsonscherpte vele malen groter is. 1/15 kan dan al te langzaam zijn.
4. Danceparties: het fotograferen
Nu je enigszins weet hoe je jezelf ervoor kunt behouden grote fotografietechnische blunders te maken bij danceparties, is het tijd om aan de slag te gaan. Het fotograferen van danceparties is best een uitdaging. Omdat een enkele dj meestal tamelijk statisch is (uitzonderingen daargelaten), is het jouw taak als fotograaf hier geen saai portret van te maken. Bovendien heb je natuurlijk te maken met een publiek dat je maar wat graag aan het werk zet.
4.1 Wat voor foto’s maak je?
Het was natuurlijk een erg gezellige avond. Probeer die sfeer vast te leggen in de foto’s. Het is de bedoeling dat foto’s uitnodigen de volgende keer Atak (weer, of ook) te bezoeken.
Het publiek wil meestal gráág op de foto. Laat weten dat de foto’s op de website van Atak komen en geef een indicatie van hoe lang dat ongeveer zal duren. Overzichten zijn leuk, maar probeer ook wat closere (groeps)portretten te fotograferen. Het is belangrijk dat je mensen fotografeert die lol hebben. Soms kan het werken om een foto te maken van achter de dj richting de zaal, maar dat is wel erg afhankelijk van het licht. Vergeet de dj zelf natuurlijk ook niet.
4.2 Gedragsrichtlijnen
Het is zeer belangrijk dat je zelf ook lol hebt in het fotograferen van danceparties. Als iemand vraagt om een foto, dan is het wel de bedoeling dat je deze ook zult maken. Beloof je op een later moment een foto van iemand te maken, houd je daar dan ook aan.
Verder gelden tijdens de danceparties natuurlijk dezelfde gedragsrichtlijnen als tijdens de concerten: je bent het visitekaartje van Atak, dus gedraag je daar ook naar. Wees vriendelijk naar bezoekers en kondig bij grote drukte op subtiele wijze aan dat je iemand wil passeren.
4.3 Restricties
Tijdens danceparties zijn er eigenlijk geen restricties zoals die er bij concerten wel zijn. Niemand doet moeilijk over flitsers en zo lang je de dj niet in de weg loopt zul je je zelfs op het podium vrij mogen bewegen. Mochten er toch restricties zijn, zul je dat vast tijdig te horen krijgen.
4.4 Lenskeuze
Over het algemeen werkt bij publieksfotografie een groothoeklens het best: je staat dan als het ware midden in de gezelligheid. Bij groothoek kun je denken aan 16 tot 20 millimeter op een cropbody, 20 tot 35 op full-frame. Met een telelens observeer je op afstand. Dat kan leuk zijn voor candids en is soms makkelijker, maar het is bovendien zelden echt interessant en nauwelijks gezellig.
Bij het fotograferen van de dj kan je lenskeuze variëren. Soms fotografeer je op 200 mm vanaf het balkon, soms op 16 mm heel close vanaf het podium. Zo lang je de dj niet in de weg loopt, krijg je daarin over het algemeen dan ook alle vrijheid.
5. Portretfoto’s backstage
Voor jezelf en het publiek is het leuk om geregeld artiesten voor je te laten poseren. In principe bestaat hiervoor de mogelijkheid, maar je kunt natuurlijk niet zomaar doorlopen richting Grote Naam om vervolgens van de bandleden te eisen dat ze even voor je poseren. Vandaar dit hoofdstuk.
5.1 Gedragsregels
Als je dat leuk vindt, kun je na afloop van een concert of tijdens een danceparty soms een portret maken van de band of de dj. Je zult merken dat dit in de praktijk niet altijd zal lukken, maar het is wel interessant om af en toe te doen. Het is niet alleen erg leerzaam voor jezelf, ook worden dergelijke foto’s door het publiek graag bekeken.
Vraag de BSM’er om bij de band te informeren of de band (muzikant, dj) je hiervoor de gelegenheid kan geven. Zorg dat de BSM’er met de band een duidelijke tijd afspreekt, zodat de band weet wanneer ze je kunnen verwachten.
Weet wat je wil. Welke mensen moeten er op de foto en waar wil je ze graag fotograferen? Zorg ervoor dat je camera (en eventuele flitsers) goed ingesteld staan. Als je dat een veilig gevoel geeft, kun je voor de tijd vast een paar testfoto’s van omstanders maken. Dan weet je zeker dat op het moment suprême alles soepel verloopt.
Vertel de band altijd even wie je bent (huisfotograaf van Atak) en waarvoor de foto’s gebruikt zullen worden. Als ze vragen om foto’s, dan kun je met ze afspreken dat je ze een mailtje stuurt als de foto’s online staan. Zorg dat er geen onduidelijkheid kan bestaan over het eigendom of gebruik van de foto’s, beloof een band geen dingen die je eigenlijk niet wil en wees duidelijk als ze dingen van je vragen waar je niet in mee wil gaan.
Zit de band niet te wachten op het poseren? Ga ze daar dan verder niet mee pesten. Foto’s maken van een band die het niet leuk vindt om gefotografeerd te worden is toch niet interessant. Eventueel kun je natuurlijk kijken of een andere band wel zin heeft.
5.2 Instellingen camera
Stel je camera in op Manual. Je hebt het licht redelijk in eigen hand en op Manual krijg je een constanter resultaat. Ga bewust om met je scherptediepte – op F1.8 wordt de band niet scherp… Kortom: met een beetje gezond verstand moet je een heel eind kunnen komen.
5.3 Flitsen: hoe doe je dat?
Voor het gemak gaan we er maar even vanuit dat we de kwantiteit inmiddels onder de knie hebben door eerder opgedane kennis en ervaring. Dus richten we ons hier specifiek op de kwaliteit. Over het algemeen zal een flits vanaf de camera een tamelijk “platte” foto opleveren. Bouncen zal veelal een aangenamer resultaat opleveren. Ga bovendien creatief om met het bestaande licht. Gebruik het bijvoorbeeld als tegenlichtje en ga bewust om met de locatie ervan en de mate waarin bestaand licht zichtbaar moet zijn op de foto.
Indien gewenst kun je meerdere flitsers gebruiken. Kies in dat geval bewust voor de locatie van de flitsers en zorg dat je weet hoe de flitsers zich gedragen. Bij het gebruik van meerdere flitsers kan een handje assistentie soms handig zijn.